vrijdag 25 december 2009

Magische cirkels om elkaar te ontmoeten

Op de uitnodiging, gedrukt op strookjes gekleurd papier, staat te lezen:

Mandala’s
magische cirkels om elkaar te ontmoeten


Op woensdag 16 december om 19 u openen we ons huis
om samen met u de vreugde van de ontmoetingen te vieren.


Om kwart voor zeven staat al een hoop volk voor de deur, en dat in een land waar niemand op tijd komt. De chicos hebben hun ouders of begeleiders uitgenodigd om te komen meegenieten van de eindejaarstentoonstelling, waarin de vruchten van hun werk in de workshops te zien zijn.
Wanneer de deuren dan eindelijk opengaan, kunnen de kinderen hun ogen nauwelijks geloven. Het anders ietwat sombere Centro de día is omgetoverd tot een kleurrijk huis vol magische cirkels die rust en vreugde uitstralen. Het zijn mandala’s, ingekleurd door de jongeren tijdens een van de workshops. De volwassenen kijken vol bewondering naar de chicos, die trots tonen welke mandala’s zij gemaakt hebben. De ontmoeting tussen groot en klein vindt plaats.
Voor de kinderen is het een hele gebeurtenis. Romina heeft haar haar laten opsteken en ruikt naar parfum, Estela heeft haar zusjes uit het weeshuis mogen uitnodigen. Andrés, die anders zo verlegen en gesloten is, heeft het aangedurfd zijn leerkrachten op te bellen om hen persoonlijk uit te nodigen. Noelia heeft heel haar familie meegebracht. Haar oudere zus, die vroeger ook naar het Centro de día ging, mijmert over mooie herinneringen uit vervlogen tijden.
Het lijkt wel of geen van deze kinderen zich ooit zorgen heeft moeten maken over wat ze ’s avonds zullen eten, over waar ze de nacht zullen doorbrengen, over wie voor hen zal zorgen als ze ziek zijn. Op de gezichten staat enkel trots en geluk te lezen.
Nadat wij, de begeleiders, onze workshops toegelicht hebben, krijgen de jongeren het woord. Door fel versierde kartonnen buizen, susurradores (fluisteraars) genaamd, fluisteren ze gedichtjes die ze zelf geschreven hebben in de literaire workshop, recht in het oor van hun luisteraars.
En dan is het de beurt aan Estefanía, de ster van de avond. Ze heeft al haar angsten, ontgoochelingen en woede neergepend in een rapnummer van kwaliteit. Op één week tijd heeft ze het nummer van buiten geleerd en ingeoefend. Pato, Marcos en ik geven haar een ritmische ruggensteun, en flankeren haar om haar podiumvrees te beperken. Het applaus is oorverdovend. Estefanía straalt van geluk. Hadden haar ouders dit maar meegemaakt.
Ook Estela, haar kamergenootje van het tehuis, glundert. Haar ouders zijn zo trots op haar vorderingen, dat ze haar uitgenodigd hebben om kerstavond bij hen thuis te vieren. Dat was in jaren niet gebeurd. En Estefanía, die mag mee.

Ontroerd plooi ik de uitnodiging, die in mijn hand verfrommeld zit, terug open. En ik lees:

Mandala’s
magische cirkels om elkaar te ontmoeten


maandag 14 december 2009

Mooi, slim en schuldig

Sinds kort geef ik bijles Frans aan Ayelén. Ze is dit jaar van school veranderd, en heeft daardoor twee jaar Frans, die ze in haar vorige school niet had, in te halen. Ayelén is een knap en vriendelijk meisje van zeventien jaar, met een rond en bruingebrand gezicht, sluik zwart indianenhaar en nog gitzwartere ogen. Ze tekent graag en luistert naar cumbia. Haar favoriete vak op school is lichamelijke opvoeding. Zoals elke tiener houdt ze van geflirt, en giechelt met haar vriendinnen wanneer ze mooie jongens ziet. Maar anders dan andere tieners, moet Ayelén elke avond om 18 uur terug naar haar cel.

Vroeger woonde ze, samen het haar mama en een tiental broertjes en zusjes, in een sloppenwijk in het noorden van de stad. Te midden van dit uitzichtloze bestaan kwam Ayelén terecht in de ‘verkeerde’ vriendengroep. Ze begon te spijbelen en hing rond in de buurt met jongens die in louche zaakjes verwikkeld zaten. Haar mama, die de handen vol had met de dagelijkse zoektocht naar werk en eten, het huishouden en het opvoeden van de kleinsten, had niets in de gaten.
Op een dag nemen haar vrienden haar mee naar een huis dat er slecht beveiligd uitziet. Wanneer ze beseft dat de jongens er willen inbreken, beslist Ayelén terug naar huis te gaan. Bij een diefstal wil ze immers niet betrokken raken. De volgende dag ziet ze op het nieuws dat bij een inbraak in het huis, dat ze herkent van de dag ervoor, een moord gepleegd is. Ze gaat naar de politie en vertelt wat ze weet. Ze geeft de namen van haar vrienden, en vertelt hoe zij verkoos om niet deel te nemen aan de inbraak.
Dat laatste detail moet de politie ontgaan zijn. Ayelén zit nu al een jaar in de gevangenis voor moord. Haar mama en broertjes zijn de buurt ontvlucht, uit vrees voor represailles van de jongens die Ayelén verklikt heeft. Zij wonen nu al een jaar onder een brug.

Ayelén voelt zich enorm schuldig, en beschouwt haar gevangenisstraf als een les voor het leven. Ze zet zich enorm in op school, en maakt dankbaar gebruik van de bijlessen. Ze is intelligent, en begrijpt alles wat ik haar uitleg. Wanneer ik haar oefeningen teruggeef met een tien op tien eronder, verschijnt er even een trotse glimlach op haar gezicht. Die verdwijnt plots wanneer, twintig minuten vóór het afgesproken tijdstip, haar opzichtster haar komt ophalen. Ze hoeft de deur van de cel niet eens op slot te doen. Ayelén heeft zichzelf al opgesloten achter een harde, onbeweeglijke en emotieloze blik.

vrijdag 4 december 2009

Morgen lezen we verder

Ariel heeft me mijn lange afwezigheid ondertussen vergeven. Hij was vorig jaar een van mijn acteurs en mijn trouwste bezoeker in de bibliotheek. Zijn grote held is Willy, een tenger maar slim aapje dat de hoofdrol speelt in een reeks van Anthony Browne.
"Hoe heette het liefje van Willy ook al weer?", vraag ik hem, alsof ik het niet meer wist. Grijnzend roept hij "Millie!"

Telkens wanneer ik een nieuw boek van Willy uit de kast haalde, begonnen zijn oogjes te fonkelen. Toen Marcela, tijdens een van de workshops, aan de chicos vroeg hoe ze het liefst lazen: in stilte, luidop, alleen, samen... antwoordde Ariel: "Ik heb liefst dat An voor mij voorleest."

Vandaag wil Ariel me een wederdienst bewijzen. Wanneer ik hem vraag om mij de nieuwe boeken in de bibliotheek te tonen, haalt hij er een prachtig poëzieboek uit, De vogel van de ziel, en leest er voor mij uit voor:

"Wanneer iemand boos is op ons
dan sluit de vogel van de ziel
zich op in zichzelf,
stil en droevig.

En wanneer iemand ons omhelst,
dan groeit de vogel van de ziel,
die diep, erg diep in het lichaam woont,
groeit tot hij bijna heel ons binnenste vult.
Zoveel deugd doet hem de omhelzing."


Ik luister ontroerd naar hem, verbaasd over de vlotheid waarmee hij nu al voorleest. Wanneer Ariel moe wordt van de inspanning, neemt hij een bladwijzer, schrijft er zijn naam op, en bergt het boek terug op.
"Morgen lezen we verder", belooft hij me.

vrijdag 27 november 2009

An staat voor de deur!

Een tikkeltje zenuwachtig sta ik voor de deur van het Centro de día. Mijn komst vandaag is een verrassing voor de chicos. Wanneer ik aanbel, hoor ik iemand roepen: "Hé, An staat voor de deur!", waarop een andere stem reageert: "Doe niet stom, An is terug naar haar land, hoe zou ze hier voor de deur kunnen staan?!"
Marcelo laat me binnen met een stevige omhelzing en een "meisje, wat een mooie verrassing!" Het wordt plots stil, niemand weet goed wat zeggen. Maar dan breekt Mauro - wie anders - de stilte, omhelst me en zegt: "Elke dag heb ik naar de foto van onze toneelgroep gekeken, om niet te vergeten hoe je eruit ziet!"

Drie maanden is het geleden dat ik de chicos gezien heb. Een eeuwigheid,zo lijkt wel, als ik verneem wat er in die tijd allemaal gebeurd is.
José Luis is, samen met zijn mama en zijn zes broertjes en zusjes, terug naar de Chaco vertrokken, de arme provincie in het noorden van het land, waar ze vandaan komen. Er was een moord gepleegd in de sloppenwijk waar ze woonden, een van zijn broers werd verdacht en de hele familie bedreigd. José heeft niet eens zijn schooljaar kunnen afmaken, net nu hij goed op weg was.
Joni, 'mijn koning', komt ook niet meer naar CHICOS. Samen met zijn vriendin is hij verschillende keren betrapt op stelen in de straat van het Centro de día, en heeft zo al zijn kansen verspeeld. In december had hij zijn diploma lager onderwijs moeten halen.
Ariel, die plots verdwenen was na de toneelvoorstelling, is er vandaag wel weer bij. Wanneer ik binnenkom, krimpt hij plots ineen en staart naar de grond. Belén vertelt me dat hij zich dood schaamt omdat hij niet komen opdagen is op mijn afscheid. Hij was zo gehecht aan me geraakt, dat hij boos was dat ik hem in de steek liet. Ik geef hem een knuffel, en zo komt er weer een glimlach op zijn aandoenlijke gezicht. Hij telt mijn vlechtjes, en toont me zijn kaft met huistaken en toetsen: geen enkele keer haalde hij minder dan 8/10. Hij beëindigt straks wel zijn schooljaar met een persoonlijk succes.
Ook Andrés doet het goed, zo blijkt. Hij zit in het eerste middelbaar en krijgt intensieve bijles Engels van Hernán en Roxana. "Vertel eens aan An hoe je toets Engels gegaan is", vraagt Belén. Andrés blijft voor zich staren en antwoordt: "goed". "Zo maar goed?", dringt ze aan. "Hoeveel heb je gehaald?" Andrés, met een nauwelijks zichtbare, maar onmiskenbare trots, antwoordt: 10/10.

maandag 23 november 2009

CASINO !

De drukkende, vochtige hitte overvalt me onmiddellijk wanneer ik uit het vliegtuig stap. Het is lente in Argentinië, en dat gaat gepaard met krachtige onweders en een invasie van muggen. In de luchthaven hebben de preventie-affiches over de varkensgriep plaats gemaakt voor campagnemateriaal voor de preventie van dengue. Aan ziektes hier geen gebrek.
De busrit naar Rosario confronteert me met inmiddels vertrouwde beelden, van de sloppen van Buenos Aires naar die van 'mijn' stad, het Argentijnse Chicago. Van de taxfree shop naar de aardewegen en blikken huisjes, het blijft een shock. Terwijl ik kinderen met paard en kar naast de auto's zie rijden, op zoek naar recycleerbaar karton, vraag ik me af hoe de mensen die onder golfplaten daken wonen, weerstaan aan deze hitte, deze muggen, en deze stormen van een kaliber dat ik zelfs in de Caraïben nooit meegemaakt heb. "Rosario, de beste stad om in te wonen". Het propagandabordje van het stadsbestuur staar er nog steeds schaamteloos bij.
Niets nieuws onder de brandende zon, behalve dan het casino van Rosario, dat ondertussen af is. Het is een gigantisch bouwwerk geworden, met shoppingcentrum, luxehotel en een grote parking met plaats voor veel blinkende terreinwagens. Een hoog, elektrisch hekken omringt het gedrocht, want op nog geen tien meter afstand ligt de rest van La Flores, de sloppenwijk waar het casino middenin neergeplant is. Honderden huisjes hebben plaats moeten maken voor dit exclusieve gokpaleis. Vanaf nu hebben de inwoners van La Flores elke dag zicht op de decadente rijkdom waartoe ze nooit toegang zullen hebben - tenzij ze de criminele toer opgaan. Een mooi perspectief voor de jeugd, die het grootste deel van de sloppenbewoners uitmaakt: de gemiddelde leeftijd in deze buurten overstijgt de negentien jaar niet.

Het lijkt allemaal niet aan het hart te komen van het jongetje dat blootvoets op het drukke kruispunt voor de wachtende automobilisten jongleert met drie plastic balletjes. Wanneer hij door een autoraampje 50 cent aangereikt krijgt, tekent zich een ontwapenende glimlach op zijn ronde gezicht.

zaterdag 14 november 2009

Een toast op grensverleggende vriendschappen!

KRONIEK VAN DE STAD MONTEVIDEO

Julio César Puppo, bijgenaamd de Houthakker, en Alfredo Gravina, ontmoetten elkaar bij het vallen van de avond, in een buurtcafé in Villa Dolores. Het is zo dat ze, toevallig, ontdekten dat ze buren waren:
- Zo dichtbij en zonder het te weten.
Ze trakteerden mekaar op een glas, en op nog één.
- Je ziet er heel goed uit.
- Schijn bedriegt.
En zo gingen er een paar uur en veel glazen voorbij, terwijl ze praatten over de zotte tijd en over hoe duur het leven wel is, over verdwenen vrienden en plaatsen die niet meer bestaan, herinneringen uit hun jonge jaren:
- Weet je dat nog?
- Natuurlijk, hoe zou ik dat kunnen vergeten
.
Toen het café uiteindelijk zijn deuren sloot, liep Gravina mee met de Houthakker tot aan de deur van zijn huis. Maar daarna wou de Houthakker een wederdienst bewijzen:
- Ik loop even met je mee.
- Doe geen moeite.
- Dat zou er nog aan ontbreken.

En met dat heen- en weergeloop waren ze de hele nacht bezig. Soms hielden ze halt, door één of andere plotse herinnering of omdat de stabiliteit nogal te wensen liet, maar daarna gingen ze verder met hun komen en gaan van hoek tot hoek, van het huis van de ene naar het huis van de andere, van de ene deur naar de andere, alsof ze gebracht en weggedragen werden door een onzichtbare slinger, terwijl ze van mekaar hielden zonder het te zeggen en mekaar omhelsden zonder elkaar aan te raken.

Eduardo Galeano

dinsdag 15 september 2009

Intens

Acht maanden geleden vulde ik mijn reuzegrote valies om op avontuur te vertrekken. Vandaag, terug thuis, leeg ik er niet één maar twee, aan een tergend langzaam tempo. Elk voorwerp dat ik eruit haal is geladen met herinneringen.
Herinneringen aan workshops, feestjes, uitstapjes, reizen…
ontmoetingen, vriendschappen, hechte banden…
moeilijkheden, hindernissen, helpende handen en successen…
blikken, glimlachen, tranen, omhelzingen, stemmen…
landschappen, smaken, geuren, gevoelens, klanken…
en emoties. Zoveel sterke emoties.
Bij de onvermijdelijke vraag “En? Hoe was ’t in Argentinië?” heb ik maar één woord in de mond: intens.

Ooit vertelde Fernando mij dat, wanneer je met het vliegtuig reist, je ziel net als een kauwgom is. Ze kleeft vast op de plaats waar je vertrekt, en wordt uitgerekt tot de plaats waar je heen gaat.
Ik ga de douane door, en kijk nog even over mijn schouder. Dat is wanneer ik besef dat mijn ziel, mijn hart én mijn hoofd niet vastgekleefd zitten, maar diepe wortels geschoten hebben in dit land. Ik maak me zorgen: zal ik terug wortel kunnen schieten in mijn land? Wil ik dat wel? Waar is mijn land?

In mijn oren weerkaatst de troostende stem van Joaquín Sabina: “No hay nostalgia peor que añorar lo que nunca jamás sucedió" (Er bestaat geen ergere heimwee dan te missen wat nooit of te nimmer gebeurd is). Het vliegtuig stijgt op, Buenos Aires wordt steeds kleiner. Ik buig nog snel door het raampje en graai alles wat ik kan vastgrijpen mee. Het stukje Argentinië dat ik leren kennen heb, wil ik blijven koesteren, waar ik ook ben. Sur o no sur.

woensdag 9 september 2009

Vuur

Beste CHICOS, ik ben hier acht maand geleden toegekomen om enkele dingen die ik goed kan met jullie te delen: toneel spelen, verhalen voorlezen,… Vandaag moet ik iets doen wat ik niet goed kan: afscheid nemen. Jullie horen het al aan mijn stem… En omdat ik dat niet goed kan, heb ik iemands hulp nodig. Ik ga de hulp gebruiken van mijn lievelingsauteur, Eduardo Galeano.

In een van zijn teksten schrijft Galeano: “Een man uit het dorp van Neguá, aan de kust van Colombia, kon tot in de hoge hemel klimmen. Toen hij terugkwam, vertelde hij. Hij zei dat hij van daarboven het menselijk leven had aanschouwd. En hij zei dat we een zee van vuurtjes zijn.
- De wereld is dat, onthulde hij, een massa mensen, een zee van vuurtjes.
Elke persoon schijnt met zijn eigen licht tussen alle anderen. Er zijn geen twee gelijke vuurtjes. Er zijn grote vuurtjes en kleine vuurtjes en vuurtjes in alle kleuren.”
Er zijn ambachtelijke vuurtjes, houtbewerkende vuurtjes of vuurtjes die zeefdrukken maken. Er zijn vuurtjes die naar school gaan, vuurtjes die kraanvogeltjes in papier vouwen, en vuurtjes die spelen. Er zijn verjaardagsvuurtjes, vuurtjes die naar het park gaan om te lezen, en vuurtjes die naar het voetbalstadium gaan. Er zijn vuurtjes die paaseieren eten, vuurtjes die pingpong spelen en vuurtjes die mandala’s inkleuren. Er zijn ook theatervuurtjes: vertellers, oude mannen, wachters en koningen. Vuurtjes die applaus verdienen. En af en toe kom je eens wat oudere vuurtjes tegen, die hun ervaring, hun liefde en hun geduld delen met de jongere vuurtjes.
“Sommige vuurtjes, flauwe vuurtjes, geven geen licht en branden niet eens; maar de vuurtjes van het Centro de día branden het leven met zoveel zin dat je er niet naar kunt kijken zonder te knipperen met je ogen, en wie er dicht bij komt, ontvlamt.”

Liefste CHICOS, ik zou graag hebben dat jullie af en toe eens terugdenken aan “dat woordje dat we allemaal geleerd hebben in de verhalen van onze jeugd,
ABRACADABRA,
het magische woord dat alle deuren opende, en denk er dan bij dat abracadabra in het oud Hebreeuws betekent: stuur je vuur uit tot op het einde.
Ik hoop dat jullie dat blijven doen, dat jullie blijven jullie vuur uitzenden, en met een beetje geluk kan ik, ginds ver, in België, af en toe een vonkje zien.

zondag 16 augustus 2009

De mooiste dag

Drie maanden geleden zijn Pablo en ik de ultieme mission impossible aangegaan: met zes straatkinderen, die nog nooit een theater van dichtbij gezien hebben, een toneelstuk in mekaar boksen, en dat in een tiental repetities. Tijdens het verloop van het project heb ik verschillende keren willen opgeven: de jongens konden zich niet concentreren, kwamen niet overeen, hadden gesmoord of kwamen gewoon niet opdagen. Na sommige repetities had ik het gevoel dat we nog minder ver stonden dan de week ervoor.
Maar vandaag, twee weken later dan gepland, spelen onze acteurs de première van “El Fantasma Caramba”. De generale repetitie is vlot verlopen, de belichting is geïnstalleerd, de uitnodigingen zijn verstuurd. We zijn er klaar voor. Dat dacht ik toch…
… maar wanneer ik na een slapeloze nacht, vol rampscenario’s die zich in mijn verbeelding afspelen, toekom in het Centro de día, ontbreken er twee acteurs. Ze moesten om negen uur aanwezig zijn, maar hebben hun kat gestuurd. Met Marcela bellen we naar alle politiebureaus om te vragen of Joni en José Luis niet toevallig opgepakt zijn. Zonder resultaat.
Tijdens het middagmaal – nog steeds geen spoor van de twee – begeven mijn zenuwen het uiteindelijk. Al snikkend vlucht ik naar het binnenkoertje, waar ik mijn vermoeidheid, stress, ontgoocheling en angst loslaat. Mijn collega’s komen me troosten, Carlos belooft me zelfs dat hij de stad gaat intrekken om de jongens te zoeken.
En dan komen Jonatán en José Luis plots het koertje binnengelopen. José vliegt in mijn armen, en Joni, die ziet dat ik gehuild heb, vraagt me al lachend of er soms een stofje in mijn oog zit. Ik omhels hen, terwijl de spanning plaats maakt voor opluchting, en lach: “Kiekens! Konden jullie nu echt niet op tijd komen?!” Ze antwoorden dat ze heel laat gaan slapen waren, in een verlaten hangar naast de rivier, en dat ze zich overslapen hadden. Ik kijk nog vlug even in hun ogen, maar mijn achterdocht is vandaag onterecht: ze zijn niet stoned. Gelukkig maar.
Om half vier, na een snelle, laatste repetitie, is het dan zo ver. Het publiek stroomt binnen, zo talrijk dat we twee voorstellingen na elkaar moeten geven. Onze jongens leven zich uit en geven twee prachtige spektakels. Het applaus is oorverdovend, en de reacties van het publiek lopen over van verbazing en bewondering. Vandaag zijn Jonatán, José Luis, Mauro, Ariel, Jonatán en Andrés de hoofdrolspelers. Vandaag kan iedereen zien wat ze wél kunnen.
Marcela bedankt mij om “in elk van de kinderen een herinnering gezaaid te hebben waar ze zich kunnen aan optrekken om zich te herinneren dat het de moeite waard is om te vechten voor het leven van elk van hen.”
Voor we, moe maar tevreden, terug naar huis gaan, omhelst José Luis Pablo nog eens, en zegt hem: “Vandaag is de mooiste dag van mijn leven”.

vrijdag 31 juli 2009

La mejor ciudad para vivir

« Rosario, de beste stad om in te wonen. » Het is een slogan van het stadsbestuur, die te lezen is op bordjes langs de aantrekkelijke oever van de Paraná. Vandaag toont Pololo mij het andere Rosario. Hij neemt me mee naar enkele sloppenwijken van Zona Norte, waar hij als sociaal assistent actief is. Het is niet de eerste keer dat ik naar een sloppenwijk ga, en alles wat ik vandaag te zien krijg, komt overeen met hoe ik het mij ingebeeld had. Maar er met mijn twee voeten instaan is toch nog iets anders: ik keer ’s avonds terug naar mijn comfortabele huis met een krop in de keel en een steen in mijn maag.
De hobbelige aardewegen – die bij regen volledig overstromen – leiden ons langs golfplaten huisjes, waar kroostrijke gezinnen enkele vierkante meters delen. In de zomer is de hitte onder deze metalen daken niet uit te houden, in de winter verkleumen de bewoners er van de kou. Afval wordt in deze wijk niet opgehaald, en dat merk je aan de kilometerslange, stinkende sliert vuilnis langs de rand van de weg. De elektriciteit wordt artisanaal afgetapt langs meters onbeveiligde kabels, die niet zelden voor ongelukken zorgen. “Wanneer het donker is”, zo vertelt Pololo, “mag je hier niet meer rondlopen. De onveiligheid is in deze buurt immens, ook voor de bewoners zelf.”
Bij het vallen van de avond stappen we uit en gaan de wijk van de Toba-indianen binnen. Hier kunnen we met een gerust hart langs de slingerende, nauwe paadjes wandelen, want hier kent iedereen Pololo. Heel wat mensen komen hem begroeten op straat, en je merkt meteen het respect dat ze voor hem hebben. “Dat is omdat ik de tijd neem om door te wijk te wandelen, bij de mensen binnen te gaan, een maaltijd te delen met hen. Iets wat weinig anderen durven.”
We eindigen onze wandeling in het huis van Noelia, een meisje dat naar het Centro de día gaat. Ze is er niet, maar haar zus snelt meteen het huis uit om haar te zoeken, want “An is op bezoek!”. Haar moeder brengt ons twee plastic stoelen: wij, de gasten, moeten gaan zitten terwijl de hele familie zich rondom ons schaart. Terwijl Noelia me haar huis en haar fotoalbum toont, zet de moeder een pan op het houtvuur om er torta frita in te bakken, een soort platte oliebollen. Bloem en vet, de dagelijkse maaltijd van deze familie.
Wanneer we vertrekken, krijgt Pololo nog een zakje torta frita mee voor zijn vrouw. Onder de indruk van dit warme onthaal, volg ik hem door de stikdonkere steegjes terug naar de auto, gevolgd door de nieuwsgierige blik van de buren.
Terug thuis vraagt Pololo me naar mijn indrukken. Hij verbaast zich over het feit dat ik zo weinig te zeggen heb. Maar de emotie ligt nog te hoog, ik ben helemaal ondersteboven van wat ik gezien heb.

Hoe zou mijn leven er vandaag uitzien als ik in zo’n wijk geboren was?

zaterdag 25 juli 2009

Cartonero

Ik wandel langs Pellegrini, een drukke viervaksbaan in het centrum van de stad. Tussen de nerveus toeterende auto’s rijdt een oude man met paard en kar. Het paard is mager en vuil, de rotte planken van de houten kar vallen bijna van elkaar. Paard en kar tussen blinkende BMW’s: een metafoor van de ongelijke verdeling van de rijkdom in Zuid-Amerika.
Om de honderd meter houdt de man halt naast een felblauwe plastic vuilniscontainer. Met vermoeide en systematische bewegingen stapt hij van zijn kar, geeft een klopje op de flank van zijn paard, en heft het zware deksel van de container op. Zijn blik dwaalt tussen de stinkende supermarktzakjes… Een pizzadoos vliegt op de kar, een paar oude kranten ernaast, een bananenschil gaat terug de container in. De man is een cartonero: hij sorteert afval om het daarna per kilo te verkopen aan recyclagefabrieken.
Plots haalt de man een klein, papieren zakje uit de container. Hij plooit het voorzichtig open, kijkt erin en haalt er met duim en wijsvinger iets uit dat van ver op een snoepje lijkt. Hij steekt het in zijn mond, kauwt drie keer met langzame bewegingen, en spuwt dan convulsief de inhoud van zijn mond op de grond.
Het is dan pas dat ik een koude rilling langs mijn ruggengraat voel glijden. Ik wend mijn blik af en wandel verder, verzonken in een gedachte die mij vandaag niet meer zal loslaten: het is verontrustend hoe snel ik gewend geraakt ben aan het zien van zoveel sociaal onrecht.

maandag 13 juli 2009

Onze acteurs

Begin juni heb ik samen met Pablo, CHICOS-begeider en acteur, een nieuw toneelproject in het Centro de día in het leven geroepen. Elke maandag komen we samen met zes jongens om te werken aan een toneelstuk over koning Caramba, die zich graag als spook verkleedt om zijn onderdanen de schrik op het lijf te jagen. De jongens krijgen een beurs in ruil voor hun inzet en hun tijd. Dit zijn ze, onze steracteurs:

José Luis is de jongste van de groep. Hij kan nog niet lezen, en verliest daardoor vaak zijn geduld tijdens het atelier. Dan gaat hij op de grond liggen en oefent zijn hiphop-acrobatieën. We fluisteren zijn tekst in en maken grote gebaren om hem te herinneren aan zijn replieken, maar het blijft moeilijk. Maar toen hij zijn cape en zwaard mocht uitproberen, zagen we zijn lachkuiltjes verschijnen boven zijn trotse glimlach.

Mauro, daarentegen, is een oude rot in het Centro de día. Sinds hij buitengezet is uit de school waar hij dit jaar het middelbaar begon, moet hij elke dag van zijn vader auto’s gaan wassen op straat. Hij vertelt me dat hij op maandag een uitzondering mag maken om naar de toneelles te komen want, “zoals mijn vader zegt, ik ben geboren om toneel te spelen”.

Andrés, een tiener met zware autismestoornissen, komt vooral voor de beurs die hij krijgt. Wel twintig keer vraagt hij ons hoeveel hij gaat verdienen, en op de betaaldag fonkelen zijn ogen en trillen zijn handen. Hij durft zijn medeacteurs niet in de ogen te kijken, en heeft er wel vijf maand over gedaan om mij te durven begroeten. Enkel voor Jésica overwint hij zijn verlegenheid: aan tafel gooit hij haar zelfs kushandjes.

Jonatán is een droom van een leerling. Steeds aanwezig, steeds enthousiast, en boordevol grappige ideeën. Wanneer José Luis te verlegen is om in een oefening op scène te komen, neemt Jonatán hem bij de hand en helpt hem zo zijn plankenkoorts te overwinnen.

De andere Jonatán, onze koning, is al even voorbeeldig. Het is een plezier om hem te zien acteren. Je zou nauwelijks geloven dat deze jongen op de vlucht is voor zijn razende schoonvader. Zijn zoontje, dat binnenkort geboren wordt, zal een bijzonder grappige papa hebben.

En tot slot is er nog Ariel, die al meer dan een jaar in een opvangtehuis woont omdat zijn mama hem niet meer kan of wil opvoeden. Hij heeft het moeilijk met concentratie en aanwezigheid, omdat hij gemakkelijk verleid wordt door de dealers op het plein. Op een dag onderbreekt hij mij midden in een repetitie om me te vragen: “An, als jij terugkeert naar je land, zien wij je dan nooit meer terug?”

dinsdag 7 juli 2009

Koning, maar niet voor iedereen

Toen we Jonatán uitnodigden om deel te nemen aan ons nieuw toneelproject, begonnen zijn vingers nerveus op tafel te tikken, en het lichtje in zijn ogen te fonkelen. Hij, die anders zo communicatief is, was zo ontroerd dat hij nauwelijks een “sí, estoy muy contento” kon uitbrengen.
Even later vertelt hij ons dat deze uitnodiging op geen beter moment zou kunnen komen, want wat hij net nu elke dag hard aan het proberen is, is een ‘beter persoon’ te worden. Hij gaat naar school en werkt er hard om zijn diploma lager onderwijs te behalen. Hij is vriendelijk, vrolijk en gedraagt zich boorbeeldig. Hij slaapt weer thuis, en steelt niet meer. “En het werkt”, overtuigt hij ons, “want de politie houdt mij niet meer tegen op straat”.
Al die inzet om te veranderen, ondanks zijn meer dan noodlottige familiecontext, heeft er waarschijnlijk iets mee te maken dat hij binnenkort papa wordt. Vol tederheid spreekt hij over de buik van zijn vriendin, en de naam die hij aan zijn kindje wil geven.
In het toneelproject blinkt Jonatán uit. Hij studeert zijn tekst, is steeds stipt aanwezig, speelt een overtuigende koning en geniet ervan. En toch – op een maandag komt Joni niet opdagen. Vreemd – hij is nochtans de eerste om de anderen erop te wijzen dat ze geen enkele repetitie mogen missen.
De volgende dag komt hij zich beschaamd verontschuldigen, en vertelt wat er gebeurd is: Hij had de fiets van zijn broer geleend om naar het Centro de día te komen. Onderweg houdt de politie hem tegen en beschuldigen hem ervan die fiets gestolen te hebben. Zomaar. Ze nemen hem mee naar het commissariaat, waar ze hem een lange tijd laten wachten. Hij wil ons bellen, maar mag niet. Uiteindelijk brengen ze hem naar het huis van zijn vader, ver buiten het centrum van de stad. Geld om de bus terug naar het centrum te nemen, heeft hij niet. En zijn toneeltekst… die ligt nog in het politiebureau.
Een van de mooiste teksten van Máximo Nesta begint als volgt:
“No soy conflictivo, pero para la ley mi cara ya es un delito.”
“Ik ben niet conflictief, maar voor de wet is mijn gezicht al een misdrijf.”

dinsdag 30 juni 2009

Maxi, ex-chico en auteur

Bij het opruimen in de bibliotheek valt mijn oog op een tijdschriftje dat het centro de día publiceert, met schrijfsels van de CHICOS. Op de eerste pagina staat een tekst van Maxi.
Ik leerde hem, net zoals David, zeven jaar geleden al kennen, toen hij nog op straat woonde. Ik was toen al onder de indruk van zijn literair talent. De begeleiders van CHICOS waren dat ook, en ze motiveerden en hielpen hem een boek te publiceren. Twee jaar geleden was het zo ver: op zijn vierentwintigste trok Maxi een hemd en kostuumbroek aan om de publicatie van zijn eerste dichtbundel te vieren. “Onmogelijk”, denken velen. Welneen, zoals vaak zorgen de mensen van het Centro de día ervoor dat de talenten van de chicos aan de wereld getoond worden.
De tekst hieronder is van de hand van Maxi. Een pareltje. Lees even mee.

Om acht uur, wanneer de wekker van Miguel afgaat, staat Zeus op. Hij rekt zich uit, schudt de slaap van zijn lichaam, en buigt voorover om te kijken hoe de dag eruit ziet. Hij weet maar al te goed dat niet alle dagen gelijk zijn, en wil dus zien wat de dag van vandaag voor hem in petto heeft.
Hij ontbijt snel en gaat de straat op. Hij steekt diagonaal het park over, koopt de krant, gaat even langs de fontein… Wanneer hij aan het gebouw komt, groet hij de portier, gaat langs de trap de verdiepingen omhoog die hem scheiden van het kantoor, legt zijn krant op het bureau en installeert zich naast Miguel, wachtend op een samenhorige blik die zijn inmenging goedkeurt.
Het is in de namiddag, wanneer ze het kantoor uitgaan, dat Zeus zijn hart begint te voelen kloppen alsof het uit zijn borst wou springen. Hij weet dat hij, samen met Miguel, Yanina en Rita gaat ophalen, om ergens te gaan dineren. Daarna zullen ze de meisjes terug naar hun huis brengen en dat is wanneer ze, terug alleen, aan mekaar vertellen over hun verlangens met elk van hen.

Zo goed en zo kwaad mogelijk vertaald van een originele tekst van Maximo Nesta

dinsdag 23 juni 2009

David vertelt

Zoals David bestaat er geen ander. Hij is de enige jongen in CHICOS – en in heel Argentinië – die mij na het weekend kan begroeten met een “Brugge heeft weer gewonnen tegen Anderlecht, straf hé!”.
Ik leerde David zeven jaar geleden kennen, toen ik voor het eerst in het Centro de día kwam. Een vrolijke dikkerd, voetbal- en muziekliefhebber, fanatieke Newells-supporter en een sociale babbelaar. Hij was negentien jaar, en maakte toen al deel uit van het decor van CHICOS. Ik herinner me dat hij tijdens mijn toneelworkshop vertelde hoe hij zijn eerste dag in het Centro de día beleefd had. Vandaag, zeven jaar later, vraag ik hem om mij nog eens zijn verhaal te vertellen.

“Ik was tien jaar, en woonde al een tijdje op straat. Ik deelde een paar matrassen op een pleintje met nog wat andere jongens. Op een dag namen ze me mee naar het Centro de día. Ze hadden me verteld dat we daar konden eten, en dat er vriendelijke mensen werkten.
Toen we aankwamen, gingen mijn vrienden onmiddellijk binnen. Ik volgde hen, de grote trap op, en vroeg me af waar ik terechtgekomen was. Toen we bovenkwamen, en ik al die vreemde gezichten zag, zakte de moed me in de schoenen. Ik zag Carlos, Marcela, en al die andere volwassenen naar me kijken, en was versteend van de schrik. Mijn vrienden zaten al aan de ontbijttafel, maar ik stond nog op de gang.
Ik had toen nooit gedacht dat ik nu, bijna twintig jaar later, nog steeds deze deur plat zou lopen. Afgezien van één enkele, lange afwezigheid, die te wijten was aan een paar stommiteiten, heb ik hier heel mijn jeugd doorgebracht. En ze hebben nogal afgezien met mij, hoor! Ik was vaak niet te houden, ik wou niet deelnemen aan de activiteiten, ik riep en schopte in het rond. Ik herinner me nog hoe Mabel verbleekte toen ze haar vertelden dat ik aan haar zeefdrukatelier zou deelnemen. En zie, vandaag werk ik in de zeefdrukcoöperatieve.
Ik heb in al die jaren veel kinderen zien komen en gaan. Op straat waren we onafscheidelijk. Als de politie iemand kwam oppakken omdat zijn adem naar lijm rook, gingen alle anderen, die niets gesnoven hadden, spontaan ook met hun handen tegen de muur gaan staan. En zo namen ze ons allemaal samen mee naar het commissariaat. We lieten onze vrienden niet in de steek.
Als ik de kinderen hier vandaag bezig zie, dan voel ik dat ik ouder word. Ik begin te beseffen dat mijn tijd er hier opzit, dat ik langzaamaan andere wegen moet inslaan. Dat is niet makkelijk, maar ik weet dat ik op een of andere manier altijd een band zal hebben met het Centro de día. Net zoals jij, zal ik altijd blijven op bezoek komen. Wij maken ondertussen deel uit van het decor.”

zondag 14 juni 2009

Destelbergen

In de bus naar Uruguay vertel ik aan mijn nieuwsgierige buurvrouw dat ik van België kom. Haar reactie is dezelfde als die van bijna alle Argentijnen van middelbare leeftijd, die in betere tijden een tour door Europa gemaakt hebben: “België? Ah… Brugge is zo mooi!” Mijn neus begint spontaan te krullen van irritatie, het is immers de zoveelste keer dat ik geklasseerd word in een landje van kanaaltjes, begijntjes en kanten onderzettertjes. Wanneer ik haar, op een licht bitsig toontje, probeer duidelijk te maken dat ik net zo goed zou kunnen zeggen: “Argentinië? Ah… Caminito is zo mooi!”, vraagt een vrouw achter mij van welke stad ik dan wel kom. Bij het woord “Gent” tekent zich een glimlach op haar gezicht, en ze zegt: “Ah, dat is de stad die bij Destelbergen en Oostakker ligt, niet?”
Mijn irritatie verandert terstond in verbazing. Mabel –zo heet ze- legt me uit dat ze de stamboom van haar familie aan het maken is, en zo ontdekt heeft dat haar overgrootouders vanuit Destelbergen naar Argentinië geëmigreerd zijn in het begin van de 20ste eeuw. “Dankzij de dienst bevolking van de stad Gent, die waren heel behulpzaam en hebben me zelfs kopieën van geboorteaktes opgestuurd.”
We raken aan de babbel, Mabel is sympathiek en heeft heel wat te vertellen. Ze werkt op de spoedafdeling van het kinderziekenhuis van Zona Oeste, een van de armste en gevaarlijkste wijken van Rosario. We hebben waarschijnlijk al met dezelfde kinderen gewerkt.
Mabel vraagt me mijn e-mailadres. Als ze ooit genoeg geld bijeengespaard krijgt om naar België te reizen, dan komt ze me bezoeken in Gent. “Naar Brugge hoef je me niet mee te nemen, hoor”, lacht ze. En dan besluit ze het gesprek door te vertellen dat ze een Vlaamse familienaam heeft. “O ja, welke dan?” vraag ik haar. Trots antwoordt ze: “Aelterman”.

zaterdag 6 juni 2009

Dialoog met Vanesa

- Heb je dat gezien van dat vliegtuig dat neergestort is ? Amai, dat is zomaar in de lucht ontploft, er zijn wel 40000 doden!
- 40000?! Is dat niet een beetje overdreven?
- Nee, echt! Ik heb het zelf gezien op TV!
- Maar Vanesa, er kunnen nooit 40000 mensen in een vliegtuig…
- (glimlacht en bloost) OK, wat minder dan, weet ik veel. Maar ze zijn midden in het water gestort, tussen de haaien en de walvissen.
- Ja, in de oceaan, want ze vlogen van Brazilië naar Europa. Dat is ongeveer de weg die ik ga afleggen om terug naar huis te gaan.
- Goh, mij krijg je nooit in zo’n vliegtuig, hoor! Ik ben daar veel te bang van. Als ik ooit naar Europa moet, neem ik wel de bus, zeker weten!

zondag 31 mei 2009

La visita de Diego

De wekelijkse teamvergadering verloopt vandaag een beetje stroef. We stellen ons heel wat existentiële vragen: Zijn we nog wel efficiënt? Kunnen we op tegen alle negatieve krachten van de maatschappij? Vertrouwen de chicos ons eigenlijk wel? Eenzijdige antwoorden blijven uit. En net wanneer de sfeer te bedrukt dreigt te worden, valt Diego binnen, als een Deus ex machina.
Diego is een stevige, geblondeerde twintiger met een stralende glimlach. Hoewel hij al een paar jaar niet meer naar het centro de día hoeft te komen, blijft hij gehecht aan de mensen die hem vroeger zo goed vooruit geholpen hebben. Vandaag komt hij ons een bezoekje brengen om ons zijn pas geboren dochtertje, een mollig en blozend baby’tje, voor te stellen. Apetrots vertelt hij dat hij samen woont met de mama van het meisje, en werk gevonden heeftin een fabriek dicht bij zijn huisje. Hij straalt van geluk.
En dan wil hij ons iets speciaals tonen. Hij stroopt de mouw van zijn trainingsvest omhoog, en daar, op heel zijn onderarm, staat in schoonschrift “Morena” getatoeëerd. Morena, bruintje, de naam van zijn dochtertje.

dinsdag 26 mei 2009

Verjaardagsfeest

« Chicos, wij verwachten jullie volgende donderdag om de verjaardagen te vieren ! Wees erbij, we gaan ons amuseren! We verwachten jullie! »
De uitnodiging, op een stukje papier gekrabbeld en in zwart-wit gekopieerd, doet de ronde. Op de dag van de afspraak loopt het Centro de día vol. De overvloed aan kinderen en de – typisch Argentijnse – last minute
organisatie zorgen ervoor dat het allemaal wat chaotisch verloopt. De slingers moeten nog gemaakt worden, de spelletjes veroorzaken een paar incidentjes, en de kaarsjes op de taart moeten wel vijf keer opnieuw uitgeblazen worden. Het cadeautje dat de jarigen krijgen, een busje deodorant, wordt al snel gebruikt om mekaar vol te spuiten.
Al die opwinding zorgt er misschien wel voor dat de chicos heel even aan iets anders denken, en hun problemen op een gezonde manier kunnen vergeten. Zo kan Marcelo bv. even vergeten dat het koud begint te worden ’s nachts, op het pleintje waar hij slaapt. Jésica hoeft er even niet aan te denken dat haar dronken vader niet verhindert dat haar oudere broer haar slaat. José Luis vergeet misschien wel even dat er geen stromend water is in het ‘huis’ waar hij samen met zijn zes broertjes en zusjes woont. En Ángel, dat zijn verslaafde moeder hem niet eens gaan zoeken is toen hij thuis weggelopen is. Damián: hand vol breuken, omdat hij er telkens weer mee tegen de muur slaat wanneer hij deze wereld niet meer aankan. Roberto: twintig hechtingen in het hoofd, aanval met machetes, rivale drugsbende. En Ariel, Arielito, voelt even de huiselijke warmte die zijn mama hem al meer dan een jaar lang niet meer wil geven.
Zelfs Marcela, die nu al twintig jaar lang in dit project werkt, is vandaag onder de indruk te zien dat zoveel kinderen in mensonwaardige situaties leven.

woensdag 20 mei 2009

Altas Cumbres

Een vluchtige kus op de achterbank van de taxi. J. stapt uit, hij en zijn reusachtige rugzak worden steeds kleiner in de achterruit, tot we de bocht inrijden en alles weer verandert in een herinnering. In de bus die me naar Rosario brengt, mijmer ik verder, terwijl de beelden van deze droomvakantie voor mijn ogen defileren. Ik laat jullie graag even meegenieten.

zondag 3 mei 2009

Verhalen uit een jonge democratie – Deel 3

Heeft iemand Jorge López gezien ?

Tijdens de manifestatie op de Día de la Memoria worden de muren gevuld met graffiti. Een ervan, die vaak terugkomt, luidt “Heeft iemand Jorge López gezien?”
Jorge Julio López is – was? – een van de duizenden linkse militanten die ‘verdwenen’ zijn tijdens de laatste Argentijnse dictatuur. Hij overleefde de terreur, overwon zijn angst, en werd, op rijpe leeftijd, een van de bestrijders van de straffeloosheid. Hij getuigde in verscheidene processen tegen verantwoordelijken van de dictatuur. De avond voordat hij een pleidooi zou voeren in een belangrijke rechtszaak tegen een militair… is hij plots uit zijn woonst verdwenen.
Vandaag, ruim twee jaar later, is er nog steeds geen spoor van de oude man. Niemand werd in verdenking gesteld, er wordt nauwelijks onderzoek gevoerd. De enige persoon die aangeklaagd werd, is een zekere Fernando Grenno, omdat hij met een spuitbus op een muur “Aparición con vida de Jorge López” geschreven had.
De Argentijnen leven nu al 26 jaar in democratie, maar de krachten van de dictatuur blijven ondergronds doorwerken. Militairen ontsnappen aan hun proces, omdat ze zogezegd oud, ziek of dement zijn. Enkele medeplichtige politici blijven aan de macht. En iemand die anders denkt en zijn nek uitsteekt, loopt het risico plots te ‘verdwijnen’.

maandag 27 april 2009

Verhalen uit een jonge democratie

Deel 2: Un largo adiós (02/04)

De vlaggen in Buenos Aires hangen half stok. Het motregent, de grijze hemel weent op de grijze stad. Vandaag wordt Raúl Alfonsín begraven, de vader van de democratie.
Alfonsín was advocaat, mensenrechtenverdediger en radicaal politicus. Tijdens de dictatuur heeft hij gevangen gezeten, omdat hij geen blad voor de mond nam. Na de val van de Junta leidde hij het land als president terug de democratie in. Hij liet de vijf juntaleiders berechten, richtte het CONADEP (nationale commissie over de verdwijning van personen) op, en bood blijvende weerstand tegen de latente krachten van de dictatuur.
De hele nacht schuiven mensen urenlang aan aan het Congreso, om een glimp van het opgebaarde lichaam op te vangen. ’s Anderendaags wacht een kilometerslange mensenmassa langs het traject dat de kist naar de begraafplaats zal brengen. De mensen staan uren in de regen om afscheid te kunnen nemen van de man die hen terug hoop gaf.
Wanneer ik naar hun gezicht kijk, heb ik de indruk dat ze hun eigen familie begraven.


dinsdag 21 april 2009

Verhalen uit een jonge democratie – Deel 1

El día de la memoria

Vandaag, 24 maart, blijven de deuren van alle scholen, winkels en bedrijven dicht. Het is immers exact 33 jaar geleden dat een junta van militairen een staatsgreep pleegt, en zo de bloedigste dictatuur van de Argentijnse geschiedenis inzet. Het “terrorismo de estado” zal duizenden andersdenkenden gevangennemen, folteren en doen verdwijnen.
Om deze gruwel nooit te vergeten, wordt elk jaar een spontane optocht gehouden. Geen enkele organisatie heeft affiches, TV of internet nodig om op te roepen om aan de betoging deel te nemen: niemand vergeet de jaarlijkse afspraak.
Wanneer we toekomen aan het plein vanwaar de mars zal vertrekken, zien we een familie met jonge kinderen wegvluchten. Ze vertellen ons dat er weer met stenen gegooid is. Twee organisaties zijn beginnen ruzie maken om wie vooraan in de betoging zou lopen, en het geschil is ontaard.
Wanneer de optocht vertrekt, verandert de mensenmassa in een kilometerslange sliert van vlaggen, slogans, muziek en dans. We laten een spoort van confetti en graffiti achter ons.
De tocht eindigt aan het Monument, met een toespraak van de grootmoeders van Plaza de Mayo en een concert. Ik ontmoet er vrienden die ik al zes jaar niet meer gezien heb. Zelfs de kinderen van het Centro de día, geboren tijdens de democratie, zijn present. Het is ontroerend te zien hoeveel mensen zich hier nog betrokken voelen bij de gruwel van hun geschiedenis.


zondag 12 april 2009

Magische eieren

Op het einde van de dag brengen we alle chicos samen in de eetzaal. Wanneer ze allemaal een plaatsje gevonden hebben rond de grote tafel, vertelt Lili dat we een verrassing voor hen bedacht hebben. Een verrassing die te maken heeft met de tijd van het jaar, met het feit dat het centro de día twee dagen dicht gaat. Een verrassing met voedsel voor de buik en voor de ziel.
De opwinding rond de tafel neemt toe, tot Pato in de zaal verschijnt met een schotel waarop drie reuzegrote paaseieren liggen. De kinderen kijken gefascineerd naar deze mysterieuze lekkernij, die iets magisch uitstraalt. Ariel, die vandaag jarig is, mag het ei in stukken breken. Zijn ogen fonkelen wanneer hij de deegrol hoog in de lucht zwaait. Onder luid applaus breekt hij het ei in honderd stukken. Tussen de chocoladebrokken ontdekken we rolletjes papier waar korte gedichtjes op geschreven zijn. Elk kind mag een stuk chocolade en een papiertje nemen. Een voor een lezen we ons gedichtje luidop voor, terwijl de anderen met volle mond luisteren.
Plots voel ik een schuchter tikje op mijn schouder. Leo, een klein, tenger jongetje van amper acht jaar, dat de hele dag geen woord heeft durven zeggen, reikt me zijn gedichtje aan. “Wil je dat ik je tekstje voorlees?”, vraag ik hem. Hij knikt verlegen van ja. En een kleine, bijna onzichtbare glimlach tekent zich op zijn lippen wanneer ik voorlees:

« La noche se hizo más noche
con el canto de los grillos.
¡Qué linda estaba la luna
recostadita en el río ! »
Javier Villafañe

« De nacht werd steeds meer nacht
met het gezang van de krekels.
Hoe knap zag de maan eruit
Zachtjes neergevlijd
op de rivier! »
Javier Villafañe

maandag 6 april 2009

Colonia, waar de tijd stil staat

Drie maanden zijn voorbijgegaan. Ik moet even de grens over om mijn toeristenvisum te vernieuwen. Bestemming: Colonia del Sacramento, Uruguay. Een Portugese, later Spaanse versterkte stad aan de oever van de Río de la Plata. Het is alsof, sinds de koloniale periode, de tijd hier stilgestaan heeft. Hobbelige stenen weggetjes, een oude vuurtoren, huizen van één verdieping in oker en baksteenrood, palmbomen en bloemen waar je maar kijkt, en elke avond een onbeschrijflijke zonsondergang aan de haven. En vooral: stilte, rust, tranquilidad.

Ik zit op een rots en staar naar het water. Het geruis van de golven stilt mijn gedachten. Ik probeer al mijn uiteenlopende en hevige indrukken, ervaringen en emoties van de voorbije maanden te overlopen, in de hoop ze te kunnen ordenen in mijn hoofd. Maar de wind blaast mijn gedachten steeds weer weg, zodat ik telkens terugval in een richtingloos gemijmer.
En zo kom ik tot rust.

dinsdag 24 maart 2009

Het afscheid van Mauro

Op het einde van het middagmaal roept Marcela alle chicos en begeleiders bijeen in de eetzaal. “Vandaag”, zo begint ze, “is een belangrijke dag, want vandaag is de laatste dag van Mauro in het Centro de día.”
Mauro vierde in januari zijn zeventiende verjaardag. En, wat belangrijker is, tegelijkertijd vierde hij ook het behalen van zijn diploma in de lagere school. Apetrots vertelde hij me al verschillende keren dat hij nu de middelbare school zou beginnen, en hard zou werken om boekhouder te worden.
Tijdens het afscheidsfeestje vertelt Marcela dat de weg om dit te bereiken niet makkelijk was. “Er zijn veel ruzies, geschreeuw, en heel veel gesprekken aan vooraf gegaan. Maar wij zijn steeds blijven geloven dat jij dit kon bereiken.”
De andere chicos, gewoonlijk zo rumoerig, luisteren geïntrigeerd. “Ik wou dat ik op jou plaats stond”, zegt David, een jongen van 24 jaar, “maar ooit zal ik daar ook geraken”.
Mauro krijgt een foto cadeau als herinnering aan zijn aanwezigheid in het Centro de día, en de kleinsten geven hem een tekening die ze samen gemaakt hebben. Wanneer hij het woord krijgt, vertelt hij dat hij het Centro de día en de mensen die hij er leerde kennen, zal missen. Dat hij wel eens op bezoek zou komen, als hij in het middelbaar uit de les gezet wordt voor slecht gedrag.
Maar vooral dat hij erg trots is op zichzelf.

maandag 9 maart 2009

María - deel 2

Vorige maand postte ik een portret van María, een meisje met een zwaar verhaal. 14 jaar oud, overdosis poxi, breuk met de ouders, cocaïnegebruik, en naar we vermoeden, prostitutie als een van de vormen om te overleven.

Maar in het Centro de Día vertoeft María in een heel andere omgeving. Als ze op straat geslapen heeft, kan ze zich 's ochtends douchen, en andere kleren aantrekken. Ze kan ontbijten, en van de vrije tijd gebruik maken om naar muziek te luisteren, om te praten met haar vriendinnen of om bij de begeleiders haar verhaal te doen. Daarna gaat ze naar het atelier. Ze volgt een opleiding handwerk, en leert er hoe ze kaarsen, zeepjes, beeldjes, vazen enz. kan maken om te verkopen op de markt. Voor het eerst in haar leven heeft ze een toekomstplan, iets om naar uit te kijken. Tijdens de workshops praat ze gezellig met de medeleerlingen en de twee begeleidsters, die haar met veel geduld, liefde en vertrouwen benaderen. Hier kan ze rustig zichzelf zijn, zonder de gevaren van de straat te vrezen.En op het einde van elke maand krijgt María haar beurs mee naar huis. Op die manier hoeft ze niet op straat te gaan werken om rond te komen.

Bedankt aan iedereen die bijgedragen heeft aan de donatie die ik kon meenemen naar hier, dankzij de Kerstmarkt op school en de verkoop van wenskaartjes. Geniet even van de foto’s hiernaast. Jullie hebben dit mee mogelijk gemaakt.

donderdag 5 maart 2009

Dweilen met de kraan open

Ik zit op de bus van Buenos Aires naar Rosario, mijmerend over de voorbije vakantieweken vol natuur, rust en heerlijk samenzijn met J.
Wanneer we Rosario binnenrijden, word ik bruusk terug met mijn twee voeten op de grond gezet. De weg gaat door Zona Sur, een sloppenwijk waar veel van de kinderen van CHICOS vandaan komen. Ze wordt afgebakend door een luxueuze villawijk aan de ene kant, en een enorme vuilnisbelt aan de andere kant.
De ‘huizen’ hier bestaan uit aan elkaar getimmerde golfplaten van alle kleuren en maten. Ze zijn zo klein en amorf, dat het moeilijk te zeggen is waar het ene huis eindigt en het andere begint. Ramen, deuren of vloerbedekking zijn er niet. Bij sommige huizen ontbreekt zelfs het dak.
Het werd waarschijnlijk afgerukt tijdens een hevige storm, zoals er hier in de zomer wel vaker zijn. Dan valt de regen genadeloos met bakken deze huisjes binnen. Ze verandert de grond in een modderpoel, en de ‘straten’ in kolkende riviertjes. De bewoners blijven verweesd achter, hun weinige huisraad en kleren zijn doorweekt.
De dag na zo’n noodsituatie worden alle gemeentebedienden ingeschakeld om in de sloppenwijken bonnetjes uit te delen. Met zo’n bonnetje kunnen de getroffen bewoners dan gratis nieuwe golfplaten afhalen.
Tot de volgende storm.
Ik kan geen betere illustratie vinden van de uitdrukking “dweilen met de kraan open”.