dinsdag 30 juni 2009

Maxi, ex-chico en auteur

Bij het opruimen in de bibliotheek valt mijn oog op een tijdschriftje dat het centro de día publiceert, met schrijfsels van de CHICOS. Op de eerste pagina staat een tekst van Maxi.
Ik leerde hem, net zoals David, zeven jaar geleden al kennen, toen hij nog op straat woonde. Ik was toen al onder de indruk van zijn literair talent. De begeleiders van CHICOS waren dat ook, en ze motiveerden en hielpen hem een boek te publiceren. Twee jaar geleden was het zo ver: op zijn vierentwintigste trok Maxi een hemd en kostuumbroek aan om de publicatie van zijn eerste dichtbundel te vieren. “Onmogelijk”, denken velen. Welneen, zoals vaak zorgen de mensen van het Centro de día ervoor dat de talenten van de chicos aan de wereld getoond worden.
De tekst hieronder is van de hand van Maxi. Een pareltje. Lees even mee.

Om acht uur, wanneer de wekker van Miguel afgaat, staat Zeus op. Hij rekt zich uit, schudt de slaap van zijn lichaam, en buigt voorover om te kijken hoe de dag eruit ziet. Hij weet maar al te goed dat niet alle dagen gelijk zijn, en wil dus zien wat de dag van vandaag voor hem in petto heeft.
Hij ontbijt snel en gaat de straat op. Hij steekt diagonaal het park over, koopt de krant, gaat even langs de fontein… Wanneer hij aan het gebouw komt, groet hij de portier, gaat langs de trap de verdiepingen omhoog die hem scheiden van het kantoor, legt zijn krant op het bureau en installeert zich naast Miguel, wachtend op een samenhorige blik die zijn inmenging goedkeurt.
Het is in de namiddag, wanneer ze het kantoor uitgaan, dat Zeus zijn hart begint te voelen kloppen alsof het uit zijn borst wou springen. Hij weet dat hij, samen met Miguel, Yanina en Rita gaat ophalen, om ergens te gaan dineren. Daarna zullen ze de meisjes terug naar hun huis brengen en dat is wanneer ze, terug alleen, aan mekaar vertellen over hun verlangens met elk van hen.

Zo goed en zo kwaad mogelijk vertaald van een originele tekst van Maximo Nesta

dinsdag 23 juni 2009

David vertelt

Zoals David bestaat er geen ander. Hij is de enige jongen in CHICOS – en in heel Argentinië – die mij na het weekend kan begroeten met een “Brugge heeft weer gewonnen tegen Anderlecht, straf hé!”.
Ik leerde David zeven jaar geleden kennen, toen ik voor het eerst in het Centro de día kwam. Een vrolijke dikkerd, voetbal- en muziekliefhebber, fanatieke Newells-supporter en een sociale babbelaar. Hij was negentien jaar, en maakte toen al deel uit van het decor van CHICOS. Ik herinner me dat hij tijdens mijn toneelworkshop vertelde hoe hij zijn eerste dag in het Centro de día beleefd had. Vandaag, zeven jaar later, vraag ik hem om mij nog eens zijn verhaal te vertellen.

“Ik was tien jaar, en woonde al een tijdje op straat. Ik deelde een paar matrassen op een pleintje met nog wat andere jongens. Op een dag namen ze me mee naar het Centro de día. Ze hadden me verteld dat we daar konden eten, en dat er vriendelijke mensen werkten.
Toen we aankwamen, gingen mijn vrienden onmiddellijk binnen. Ik volgde hen, de grote trap op, en vroeg me af waar ik terechtgekomen was. Toen we bovenkwamen, en ik al die vreemde gezichten zag, zakte de moed me in de schoenen. Ik zag Carlos, Marcela, en al die andere volwassenen naar me kijken, en was versteend van de schrik. Mijn vrienden zaten al aan de ontbijttafel, maar ik stond nog op de gang.
Ik had toen nooit gedacht dat ik nu, bijna twintig jaar later, nog steeds deze deur plat zou lopen. Afgezien van één enkele, lange afwezigheid, die te wijten was aan een paar stommiteiten, heb ik hier heel mijn jeugd doorgebracht. En ze hebben nogal afgezien met mij, hoor! Ik was vaak niet te houden, ik wou niet deelnemen aan de activiteiten, ik riep en schopte in het rond. Ik herinner me nog hoe Mabel verbleekte toen ze haar vertelden dat ik aan haar zeefdrukatelier zou deelnemen. En zie, vandaag werk ik in de zeefdrukcoöperatieve.
Ik heb in al die jaren veel kinderen zien komen en gaan. Op straat waren we onafscheidelijk. Als de politie iemand kwam oppakken omdat zijn adem naar lijm rook, gingen alle anderen, die niets gesnoven hadden, spontaan ook met hun handen tegen de muur gaan staan. En zo namen ze ons allemaal samen mee naar het commissariaat. We lieten onze vrienden niet in de steek.
Als ik de kinderen hier vandaag bezig zie, dan voel ik dat ik ouder word. Ik begin te beseffen dat mijn tijd er hier opzit, dat ik langzaamaan andere wegen moet inslaan. Dat is niet makkelijk, maar ik weet dat ik op een of andere manier altijd een band zal hebben met het Centro de día. Net zoals jij, zal ik altijd blijven op bezoek komen. Wij maken ondertussen deel uit van het decor.”

zondag 14 juni 2009

Destelbergen

In de bus naar Uruguay vertel ik aan mijn nieuwsgierige buurvrouw dat ik van België kom. Haar reactie is dezelfde als die van bijna alle Argentijnen van middelbare leeftijd, die in betere tijden een tour door Europa gemaakt hebben: “België? Ah… Brugge is zo mooi!” Mijn neus begint spontaan te krullen van irritatie, het is immers de zoveelste keer dat ik geklasseerd word in een landje van kanaaltjes, begijntjes en kanten onderzettertjes. Wanneer ik haar, op een licht bitsig toontje, probeer duidelijk te maken dat ik net zo goed zou kunnen zeggen: “Argentinië? Ah… Caminito is zo mooi!”, vraagt een vrouw achter mij van welke stad ik dan wel kom. Bij het woord “Gent” tekent zich een glimlach op haar gezicht, en ze zegt: “Ah, dat is de stad die bij Destelbergen en Oostakker ligt, niet?”
Mijn irritatie verandert terstond in verbazing. Mabel –zo heet ze- legt me uit dat ze de stamboom van haar familie aan het maken is, en zo ontdekt heeft dat haar overgrootouders vanuit Destelbergen naar Argentinië geëmigreerd zijn in het begin van de 20ste eeuw. “Dankzij de dienst bevolking van de stad Gent, die waren heel behulpzaam en hebben me zelfs kopieën van geboorteaktes opgestuurd.”
We raken aan de babbel, Mabel is sympathiek en heeft heel wat te vertellen. Ze werkt op de spoedafdeling van het kinderziekenhuis van Zona Oeste, een van de armste en gevaarlijkste wijken van Rosario. We hebben waarschijnlijk al met dezelfde kinderen gewerkt.
Mabel vraagt me mijn e-mailadres. Als ze ooit genoeg geld bijeengespaard krijgt om naar België te reizen, dan komt ze me bezoeken in Gent. “Naar Brugge hoef je me niet mee te nemen, hoor”, lacht ze. En dan besluit ze het gesprek door te vertellen dat ze een Vlaamse familienaam heeft. “O ja, welke dan?” vraag ik haar. Trots antwoordt ze: “Aelterman”.

zaterdag 6 juni 2009

Dialoog met Vanesa

- Heb je dat gezien van dat vliegtuig dat neergestort is ? Amai, dat is zomaar in de lucht ontploft, er zijn wel 40000 doden!
- 40000?! Is dat niet een beetje overdreven?
- Nee, echt! Ik heb het zelf gezien op TV!
- Maar Vanesa, er kunnen nooit 40000 mensen in een vliegtuig…
- (glimlacht en bloost) OK, wat minder dan, weet ik veel. Maar ze zijn midden in het water gestort, tussen de haaien en de walvissen.
- Ja, in de oceaan, want ze vlogen van Brazilië naar Europa. Dat is ongeveer de weg die ik ga afleggen om terug naar huis te gaan.
- Goh, mij krijg je nooit in zo’n vliegtuig, hoor! Ik ben daar veel te bang van. Als ik ooit naar Europa moet, neem ik wel de bus, zeker weten!