« Rosario, de beste stad om in te wonen. » Het is een slogan van het stadsbestuur, die te lezen is op bordjes langs de aantrekkelijke oever van de Paraná. Vandaag toont Pololo mij het andere Rosario. Hij neemt me mee naar enkele sloppenwijken van Zona Norte, waar hij als sociaal assistent actief is. Het is niet de eerste keer dat ik naar een sloppenwijk ga, en alles wat ik vandaag te zien krijg, komt overeen met hoe ik het mij ingebeeld had. Maar er met mijn twee voeten instaan is toch nog iets anders: ik keer ’s avonds terug naar mijn comfortabele huis met een krop in de keel en een steen in mijn maag.
De hobbelige aardewegen – die bij regen volledig overstromen – leiden ons langs golfplaten huisjes, waar kroostrijke gezinnen enkele vierkante meters delen. In de zomer is de hitte onder deze metalen daken niet uit te houden, in de winter verkleumen de bewoners er van de kou. Afval wordt in deze wijk niet opgehaald, en dat merk je aan de kilometerslange, stinkende sliert vuilnis langs de rand van de weg. De elektriciteit wordt artisanaal afgetapt langs meters onbeveiligde kabels, die niet zelden voor ongelukken zorgen. “Wanneer het donker is”, zo vertelt Pololo, “mag je hier niet meer rondlopen. De onveiligheid is in deze buurt immens, ook voor de bewoners zelf.”
Bij het vallen van de avond stappen we uit en gaan de wijk van de Toba-indianen binnen. Hier kunnen we met een gerust hart langs de slingerende, nauwe paadjes wandelen, want hier kent iedereen Pololo. Heel wat mensen komen hem begroeten op straat, en je merkt meteen het respect dat ze voor hem hebben. “Dat is omdat ik de tijd neem om door te wijk te wandelen, bij de mensen binnen te gaan, een maaltijd te delen met hen. Iets wat weinig anderen durven.”
We eindigen onze wandeling in het huis van Noelia, een meisje dat naar het Centro de día gaat. Ze is er niet, maar haar zus snelt meteen het huis uit om haar te zoeken, want “An is op bezoek!”. Haar moeder brengt ons twee plastic stoelen: wij, de gasten, moeten gaan zitten terwijl de hele familie zich rondom ons schaart. Terwijl Noelia me haar huis en haar fotoalbum toont, zet de moeder een pan op het houtvuur om er torta frita in te bakken, een soort platte oliebollen. Bloem en vet, de dagelijkse maaltijd van deze familie.
Wanneer we vertrekken, krijgt Pololo nog een zakje torta frita mee voor zijn vrouw. Onder de indruk van dit warme onthaal, volg ik hem door de stikdonkere steegjes terug naar de auto, gevolgd door de nieuwsgierige blik van de buren.
Terug thuis vraagt Pololo me naar mijn indrukken. Hij verbaast zich over het feit dat ik zo weinig te zeggen heb. Maar de emotie ligt nog te hoog, ik ben helemaal ondersteboven van wat ik gezien heb.
Hoe zou mijn leven er vandaag uitzien als ik in zo’n wijk geboren was?
vrijdag 31 juli 2009
zaterdag 25 juli 2009
Cartonero
Ik wandel langs Pellegrini, een drukke viervaksbaan in het centrum van de stad. Tussen de nerveus toeterende auto’s rijdt een oude man met paard en kar. Het paard is mager en vuil, de rotte planken van de houten kar vallen bijna van elkaar. Paard en kar tussen blinkende BMW’s: een metafoor van de ongelijke verdeling van de rijkdom in Zuid-Amerika.
Om de honderd meter houdt de man halt naast een felblauwe plastic vuilniscontainer. Met vermoeide en systematische bewegingen stapt hij van zijn kar, geeft een klopje op de flank van zijn paard, en heft het zware deksel van de container op. Zijn blik dwaalt tussen de stinkende supermarktzakjes… Een pizzadoos vliegt op de kar, een paar oude kranten ernaast, een bananenschil gaat terug de container in. De man is een cartonero: hij sorteert afval om het daarna per kilo te verkopen aan recyclagefabrieken.
Plots haalt de man een klein, papieren zakje uit de container. Hij plooit het voorzichtig open, kijkt erin en haalt er met duim en wijsvinger iets uit dat van ver op een snoepje lijkt. Hij steekt het in zijn mond, kauwt drie keer met langzame bewegingen, en spuwt dan convulsief de inhoud van zijn mond op de grond.
Het is dan pas dat ik een koude rilling langs mijn ruggengraat voel glijden. Ik wend mijn blik af en wandel verder, verzonken in een gedachte die mij vandaag niet meer zal loslaten: het is verontrustend hoe snel ik gewend geraakt ben aan het zien van zoveel sociaal onrecht.
Om de honderd meter houdt de man halt naast een felblauwe plastic vuilniscontainer. Met vermoeide en systematische bewegingen stapt hij van zijn kar, geeft een klopje op de flank van zijn paard, en heft het zware deksel van de container op. Zijn blik dwaalt tussen de stinkende supermarktzakjes… Een pizzadoos vliegt op de kar, een paar oude kranten ernaast, een bananenschil gaat terug de container in. De man is een cartonero: hij sorteert afval om het daarna per kilo te verkopen aan recyclagefabrieken.
Plots haalt de man een klein, papieren zakje uit de container. Hij plooit het voorzichtig open, kijkt erin en haalt er met duim en wijsvinger iets uit dat van ver op een snoepje lijkt. Hij steekt het in zijn mond, kauwt drie keer met langzame bewegingen, en spuwt dan convulsief de inhoud van zijn mond op de grond.
Het is dan pas dat ik een koude rilling langs mijn ruggengraat voel glijden. Ik wend mijn blik af en wandel verder, verzonken in een gedachte die mij vandaag niet meer zal loslaten: het is verontrustend hoe snel ik gewend geraakt ben aan het zien van zoveel sociaal onrecht.
maandag 13 juli 2009
Onze acteurs
Begin juni heb ik samen met Pablo, CHICOS-begeider en acteur, een nieuw toneelproject in het Centro de día in het leven geroepen. Elke maandag komen we samen met zes jongens om te werken aan een toneelstuk over koning Caramba, die zich graag als spook verkleedt om zijn onderdanen de schrik op het lijf te jagen. De jongens krijgen een beurs in ruil voor hun inzet en hun tijd. Dit zijn ze, onze steracteurs:
José Luis is de jongste van de groep. Hij kan nog niet lezen, en verliest daardoor vaak zijn geduld tijdens het atelier. Dan gaat hij op de grond liggen en oefent zijn hiphop-acrobatieën. We fluisteren zijn tekst in en maken grote gebaren om hem te herinneren aan zijn replieken, maar het blijft moeilijk. Maar toen hij zijn cape en zwaard mocht uitproberen, zagen we zijn lachkuiltjes verschijnen boven zijn trotse glimlach.
Mauro, daarentegen, is een oude rot in het Centro de día. Sinds hij buitengezet is uit de school waar hij dit jaar het middelbaar begon, moet hij elke dag van zijn vader auto’s gaan wassen op straat. Hij vertelt me dat hij op maandag een uitzondering mag maken om naar de toneelles te komen want, “zoals mijn vader zegt, ik ben geboren om toneel te spelen”.
Andrés, een tiener met zware autismestoornissen, komt vooral voor de beurs die hij krijgt. Wel twintig keer vraagt hij ons hoeveel hij gaat verdienen, en op de betaaldag fonkelen zijn ogen en trillen zijn handen. Hij durft zijn medeacteurs niet in de ogen te kijken, en heeft er wel vijf maand over gedaan om mij te durven begroeten. Enkel voor Jésica overwint hij zijn verlegenheid: aan tafel gooit hij haar zelfs kushandjes.
Jonatán is een droom van een leerling. Steeds aanwezig, steeds enthousiast, en boordevol grappige ideeën. Wanneer José Luis te verlegen is om in een oefening op scène te komen, neemt Jonatán hem bij de hand en helpt hem zo zijn plankenkoorts te overwinnen.
De andere Jonatán, onze koning, is al even voorbeeldig. Het is een plezier om hem te zien acteren. Je zou nauwelijks geloven dat deze jongen op de vlucht is voor zijn razende schoonvader. Zijn zoontje, dat binnenkort geboren wordt, zal een bijzonder grappige papa hebben.
En tot slot is er nog Ariel, die al meer dan een jaar in een opvangtehuis woont omdat zijn mama hem niet meer kan of wil opvoeden. Hij heeft het moeilijk met concentratie en aanwezigheid, omdat hij gemakkelijk verleid wordt door de dealers op het plein. Op een dag onderbreekt hij mij midden in een repetitie om me te vragen: “An, als jij terugkeert naar je land, zien wij je dan nooit meer terug?”
dinsdag 7 juli 2009
Koning, maar niet voor iedereen
Toen we Jonatán uitnodigden om deel te nemen aan ons nieuw toneelproject, begonnen zijn vingers nerveus op tafel te tikken, en het lichtje in zijn ogen te fonkelen. Hij, die anders zo communicatief is, was zo ontroerd dat hij nauwelijks een “sí, estoy muy contento” kon uitbrengen.
Even later vertelt hij ons dat deze uitnodiging op geen beter moment zou kunnen komen, want wat hij net nu elke dag hard aan het proberen is, is een ‘beter persoon’ te worden. Hij gaat naar school en werkt er hard om zijn diploma lager onderwijs te behalen. Hij is vriendelijk, vrolijk en gedraagt zich boorbeeldig. Hij slaapt weer thuis, en steelt niet meer. “En het werkt”, overtuigt hij ons, “want de politie houdt mij niet meer tegen op straat”.
Al die inzet om te veranderen, ondanks zijn meer dan noodlottige familiecontext, heeft er waarschijnlijk iets mee te maken dat hij binnenkort papa wordt. Vol tederheid spreekt hij over de buik van zijn vriendin, en de naam die hij aan zijn kindje wil geven.
In het toneelproject blinkt Jonatán uit. Hij studeert zijn tekst, is steeds stipt aanwezig, speelt een overtuigende koning en geniet ervan. En toch – op een maandag komt Joni niet opdagen. Vreemd – hij is nochtans de eerste om de anderen erop te wijzen dat ze geen enkele repetitie mogen missen.
De volgende dag komt hij zich beschaamd verontschuldigen, en vertelt wat er gebeurd is: Hij had de fiets van zijn broer geleend om naar het Centro de día te komen. Onderweg houdt de politie hem tegen en beschuldigen hem ervan die fiets gestolen te hebben. Zomaar. Ze nemen hem mee naar het commissariaat, waar ze hem een lange tijd laten wachten. Hij wil ons bellen, maar mag niet. Uiteindelijk brengen ze hem naar het huis van zijn vader, ver buiten het centrum van de stad. Geld om de bus terug naar het centrum te nemen, heeft hij niet. En zijn toneeltekst… die ligt nog in het politiebureau.
Een van de mooiste teksten van Máximo Nesta begint als volgt:
“No soy conflictivo, pero para la ley mi cara ya es un delito.”
“Ik ben niet conflictief, maar voor de wet is mijn gezicht al een misdrijf.”
Even later vertelt hij ons dat deze uitnodiging op geen beter moment zou kunnen komen, want wat hij net nu elke dag hard aan het proberen is, is een ‘beter persoon’ te worden. Hij gaat naar school en werkt er hard om zijn diploma lager onderwijs te behalen. Hij is vriendelijk, vrolijk en gedraagt zich boorbeeldig. Hij slaapt weer thuis, en steelt niet meer. “En het werkt”, overtuigt hij ons, “want de politie houdt mij niet meer tegen op straat”.
Al die inzet om te veranderen, ondanks zijn meer dan noodlottige familiecontext, heeft er waarschijnlijk iets mee te maken dat hij binnenkort papa wordt. Vol tederheid spreekt hij over de buik van zijn vriendin, en de naam die hij aan zijn kindje wil geven.
De volgende dag komt hij zich beschaamd verontschuldigen, en vertelt wat er gebeurd is: Hij had de fiets van zijn broer geleend om naar het Centro de día te komen. Onderweg houdt de politie hem tegen en beschuldigen hem ervan die fiets gestolen te hebben. Zomaar. Ze nemen hem mee naar het commissariaat, waar ze hem een lange tijd laten wachten. Hij wil ons bellen, maar mag niet. Uiteindelijk brengen ze hem naar het huis van zijn vader, ver buiten het centrum van de stad. Geld om de bus terug naar het centrum te nemen, heeft hij niet. En zijn toneeltekst… die ligt nog in het politiebureau.
Een van de mooiste teksten van Máximo Nesta begint als volgt:
“No soy conflictivo, pero para la ley mi cara ya es un delito.”
“Ik ben niet conflictief, maar voor de wet is mijn gezicht al een misdrijf.”
Abonneren op:
Posts (Atom)