Elke donderdag gaan we met z’n allen rond onze plattegrond zitten, en toveren gekleurd papier om tot huizen, bomen, bankjes en speelpleinen. Week na week zien we de volumes en de kleuren weelderiger worden, en smeden we plannen voor wat nog komen zal. Onze stad is niet zomaar een stad: we proberen er een ideale leefplek van te maken. Het vouwen, knippen en kleven is dan ook maar een excuus om de tongen los te krijgen. We denken na over wat een ‘ideale’ stad nu precies inhoudt, en discussiëren over de rechten van de inwoners. Vaak moet er stevig onderhandeld worden, want niet alle dromen lopen gelijk – gelukkig maar.
Jeremías wil een waterval in de stad, Rubén ziet liever een echte kust, en Estela verkiest een rivier. Estefanía wil een stad zonder politiekantoor, maar Andrés, die vaak gepest wordt, gaat niet akkoord: “Wat doen we dan met de delinquenten die mij willen aanvallen?” Neen, Andrés wil liever een kerk bouwen, om te kunnen trouwen met Jésica. En dat ziet Ariel dan weer niet zitten: “In onze perfecte stad begaat niemand zonden. We hebben dus geen kerk nodig.”

Romina heeft een reuzegroot privézwembad naast haar huis neergepoot. Ze is niet van plan het te delen met haar buren. Wanneer ik haar voorstel om met z’n allen haar zwembad mooier te maken en open te stellen voor alle stadsbewoners, loopt ze boos weg. Ik zucht. Waar ben ik aan begonnen? Hoe debatteer je over privébezit versus openbare diensten met kinderen wiens privébezit bijna onbestaand is, in een land waar de openbare diensten jaren geleden de mist in gegaan zijn?
Na veel heen- en weergepraat en het vouwen van enkele rustgevende bomen, komen we dan toch tot een consensus. Er komt geen politiekantoor, omdat er in onze stad geen criminelen wonen. Dat kan, omdat iedereen toegang heeft tot al wat hij nodig heeft, en niemand meer bezit dan een ander. Het zwembad wordt dus toch communautair. En we bouwen er samen een reuzegrote glijbaan naast.
Romina is er weer bij komen zitten, en en vouwt stilletjes een huisje in elkaar. “Jij hebt toch al een huis?!”, merkt Jésica op. –“Ja, maar dit huis bouw ik voor iemand die er nog geen heeft.” Ze gluurt schuchter naar me om mijn reactie te zien. Ik ontvang haar nieuwe houding met een medeplichtige glimlach en een discreet knipoogje.
Volgende week gaan we onze stad volplanten met bomen. “Goed idee”, roept Estefanía, “dan hebben we steeds gezonde lucht, en wordt niemand ziek. Zo hebben we ook geen ziekenhuis nodig.”
Geen opmerkingen:
Een reactie posten